Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

Deze serie artikelen is geschreven door ds. M. Golverdingen (1941-2019), destijds predikant te Boskoop. Sommige onderdelen zijn niet meer up-to-date als gevolg van de invoering van de herziene kerkorde en appelregeling in 2019. De meest recente informatie hierover is op deze website te vinden.

De Saambinder 28-11-2003; 04-12-2003; 11-12-2003; 18-12-2003; 25-12-2003

1. Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

De waardering voor een welgeordend kerkelijk leven naar bijbelse uitgangspunten is in de Gereformeerde Gemeenten niet altijd even sterk geweest. In 1908 publiceerde ds. G.H. Kersten een brochure, waarin hij na een visitatie van alle gemeenten zijn diepe teleurstelling uitspreekt over de feitelijke situatie. Men heeft in 1907 bij de Vereniging de Dordtse Kerkorde wel aanvaard als akkoord voor het samenleven van de kerken, maar die kerkorde is in tal van gemeenten nog een dode letter. De oude gewoonten zijn veel belangrijker: "We volgen gewoonten zonder rekenschap te vragen van onze handelingen, 't is ons genoeg dat deze of gene 't zoo deed. En zóó moet 't dan, en niet anders. Wij zweren bij het oude, en ziet, 't ware oude wordt als wat 'nieuws ' weggeworpen met minachting. Och dat ons oog geopend werd, opdat wij zien mochten, hoe ver we zijn afgeweken van de regelen onzer Vaderen, en we Salomo's les behartigden: 'Zet de oude palen niet terug, die uwe Vaderen gemaakt hebben'" (Spr. 22:28). In enkele artikelen gaan we in op de hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht in de kring der gemeenten.

De Afscheiding en de kerkorde

De Afscheiding van 1834 betekende een terugkeer of wederkeer naar de belijdenis, de liturgie en de kerkorde van de Gereformeerde Kerk, zoals die tijdens de reformatie was ontstaan. Deze terugkeer hield een duidelijke, bijbels gemotiveerde afwijzing in van het centralisme. Dat woord spreekt voor zichzelf. Het gaat om een vorm van kerkrechtelijk denken, waarbij alles centraal door een kerkelijk bestuur wordt geregeld. De plaatselijke gemeente is in de Schrift echter dé openbaringsvorm van de kerk van Christus en heeft als zodanig een eigen, zelfstandige plaats. In Gods Woord vinden we ook een aanzet voor het samenkomen van gemeenten in een kerkverband in Handelingen 15, maar dat kerkverband kan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten niet te niet doen. Op een meerdere vergadering - classis, synode - kunnen alleen die zaken worden behandeld, die de plaatselijke gemeenten zelf hebben geagendeerd of als gemeenschappelijk belang hebben aangemerkt. Het genoemde centralisme werd belichaamd in het Algemeen Reglement, dat koning Willem I in 1816 aan de Nederlandse Hervormde Kerk had opgelegd. Het daarin verwoorde kerkrecht ademde een 'redelijke' geest. De gemeente werd vooral gezien als een bouwsteen of onderdeel van het genootschap: de landelijke kerk. Dit genootschap moest als een vereniging op nationaal niveau centraal, efficiënt en voortdurend worden aangestuurd door een permanente synode. De zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente dreigde grotendeels uit het gezichtsveld te verdwijnen.

De kerken van de Afscheiding of Wederkeer kozen daarom ook heel bewust voor een terugkeer naar kerkelijke leven overeenkomstig de regels van de Dordtse Kerkorde (D.K.O), waarin de plaatselijke gemeente uitgangspunt voor het kerkelijke leven is. Deze kerkorde, die door toedoen van koning Willem I in 1816 was afgeschaft, werd vastgesteld door de Dordtse Synode van 1619. De D.K.O telt 86 korte artikelen en bouwt duidelijk voort op de kerkrechtelijke inzichten van de Artikelen van Wezel (1568), de Synode van Emden (1571), de synoden van Dordrecht van 1574 en 1578 en de synode van Middelburg (1581). De invloed van de eerste gereformeerde kerkorde, de 'Discipline Ecclesiastique', die door de Franse gereformeerden in 1559 werd aanvaard, was in deze bezinning zonder meer aanwijsbaar.

Ledeboerianen, Kruisgemeenten en de kerkorde

De sympathie voor de Dordtse Kerkorde werd door de kerken, die later de Gereformeerde Gemeenten zouden vormen, met de Afgescheidenen gedeeld. Dat is eigenlijk voor de hand liggend, omdat een aantal van de huidige Gereformeerde Gemeenten hun wortels hebben in de Afscheiding van 1834. Zo voegden zich in Zeeland enkele afgescheiden gemeenten, die zich hadden afgewend van ds. H.J. Budding (1810-1870) bij de gemeenten, die ontstonden door het optreden van ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863). De prediker van Benthuizen was in 1841, onder meer tengevolge van een opzienbarend protest tegen het Algemeen Reglement, door het provinciaal bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk uit het ambt ontzet. Hij trok vanuit Benthuizen als reizend prediker door het land om voor te gaan in gevestigde gemeenten en gezelschappen. In de praktijk woog wat Ledeboer zei aanzienlijk zwaarder dan de bepalingen van de Dordtse Kerkorde.

Daarnaast waren er enkele zogenaamde Gereformeerde Kerken onder 't kruis, die zich afzijdig hielden van de grote Christelijke Gereformeerde Kerk die in 1869 ontstond: Enkhuizen, Lisse, Hoedekenskerke, Rouveen, Tricht en Hollandscheveld. Ze bleven zich Kruisgemeenten noemen, maar vormden geen kerkverband. In de praktijk bestonden ze als vrije gemeenten voort. Eerst omstreeks 1890 slaagde ds. E. Fransen te Kampen erin om zes gemeenten samen te brengen in een los geordend kerkverband, dat verschillende keren van naam veranderde. Pas in 1906 besloot men om alle gemeenten bij de overheid te laten registreren als "Gereformeerde Gemeenten onder 't kruis". In oktober 1899 waren er elf gemeenten aangesloten. Het aantal aangesloten gemeenten wisselde overigens nogal. In een oud stuk uit deze kring las ik de wens "dat men nog eens de steen der wijzen zal vinden om een meer hechte band te vinden als tot dusver in verband met de gemakkelijkheid, waarmede sommige gemeenten zich losmaken, wanneer in de kerkenraden verkeerde invloed werkt". Anders gezegd: de Kruisgemeenten hadden een sterke neiging tot independentisme. De plaatselijke gemeente is volstrekt onafhankelijk. Samenleven in een kerkverband op basis van een kerkorde is goed, maar gemaakte afspraken zijn niet bindend. Het kerkverband is niet meer dan een rekverband.

De praktische situatie rond 1907

Van echt kerkrechtelijk denken en handelen met de Dordtse Kerkorde als uitgangspunt was in beide kleine kerkverbanden weinig of in het geheel geen sprake. Aan de kerkorde werd meestal wel met woorden eer bewezen als een eerbiedwaardig historisch document. In de praktijk van het kerkelijke leven ging men echter veelal uit van gevoelsmatige, gezelschappelijke overwegingen. Zo kwamen ten aanzien van de oefening van de tucht omstreeks 1907 nog heel vreemde praktijken voor. Dat ontlokte ds. Kersten in 1908 de verzuchting: "Niet dan door leering kunnen onze gemeenten ingewonnen worden voor de tucht naar de leer der Vaderen; en daartoe diene ons tot hulpbron niet wat Ds. v. Dijke of Ds. Ledeboer gezegd hebben, maar wat onze Dordtsche Vaderen besloten en schreven."

Er was sprake van een onmiskenbare independentistische inslag, die onvoldoende oog had voor de bijbelse betekenis van het kerkverband, die ook volgens de bepalingen van de D.K.O. anders en meer is dan het organiseren van vrijblijvende ontmoetingen. Het gaat bij het kerkverband immers om het nationaal tot openbaring brengen van de zichtbare eenheid van het lichaam van Christus.

2. Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

De Vereniging van 1907 bracht het samengaan van de Gereformeerde Gemeenten van ds. L.G.C. Ledeboer en de Gereformeerde Gemeenten onder 't kruis. Bij deze Vereniging wordt de keuze voor kerkelijk leven op grondslag van de D.K.O. verwoord in het eerste artikel van de 'Bepalingen ': "Als accoord van kerkelijke gemeenschap wordt aanvaard en blijve gehandhaafd de D.K.O. vastgesteld in den jare 1619, behoudens die artikelen die door verandering van de verhouding tussen Kerk en overheid, of door het wegvallen der Waalse taal, niet meer van kracht zijn; van welke artikelen de kerken zelve aanwijzing zullen doen'.

De fundamentele koerswijziging

Er is sprake van een fundamentele koerswijziging in vergelijking met de periode van voor 1907, die vooral tot uitdrukking komt in het woord 'gehandhaafd'. Met name de jonge ds. G.H. Kersten (1882-1948) heeft de jaren door het zijne bijgedragen aan deze welbewuste keuze voor werkelijk kerkordelijk leven. Aan zijn opvallende kennis van het gereformeerde kerkrecht hadden zijn goede contacten met de Middelburgse gereformeerde predikant dr. L.H. Wagenaar (1855-1910), kerkhistoricus en kerkrechtdeskundige, ongetwijfeld bijgedragen. Nog voor het einde van 1907 verscheen de door de synode als akkoord van kerkelijke gemeenschap vastgestelde kerkorde in druk.

De worsteling met het independentisme

Maar de praktijk van het leven naar de kerkorde werd door een aantal broeders als moeilijk en ongewenst ervaren. Een gereformeerd kerkverband schept verplichtingen ten aanzien van de punten, die men zelf als kerkenraden aan de meerdere vergadering heeft voorgelegd om tot een uitspraak te komen. Zo werd in 1907 het principebesluit genomen om geen predikanten van buiten het eigen kerkverband te laten optreden. Eigen predikanten werden geacht alleen de eigen gemeenten te dienen. Maar die regel werd niet nageleefd. Ze stuitte op heftig verzet bij de vurige Amsterdamse predikant ds. D.C. Overduin. Zegt de Schrift niet: Predikt het evangelie aan alle creaturen? Daarom ging hij met vrijmoedigheid voor in allerlei vrije groepen en gemeenten. De bezwaren tegen deze handelswijze leidden ertoe dat de gemeente van Amsterdam zich met haar predikant los maakte van het kerkverband. In 1909 verlieten zelfs alle afgevaardigden van de classis Amsterdam de synode, waarop ds. Kersten het kerkrechtelijke beginsel opnieuw uiteenzette. Maar bij nader inzien schaarde deze classis zich alsnog achter het doel van de synode om voort te gaan met de opbouw van een ordelijk kerkelijk leven volgens de richtlijnen van Schrift en kerkorde. Het independentisme werd veroordeeld. Ds. Overduin keerde in 1911 terug, nadat hij zijn independentistische opvattingen had herroepen en schuld had beleden voor door hem gebruikte diskwalificaties van anderen. In 1930 verliet ds. D.C. Overduin met zijn broer ds. J. Overduin de Gereformeerde Gemeenten. Bij dit heengaan woog ook het independentistische standpunt van de gebroeders Overduin mee. De synode gaf nu duidelijk aan, dat er na de veroordeling in 1909 ook in de praktijk geen ruimte meer was voor een independent gevoelen.

De praktische hantering en de fundering daarvan

In de loop der jaren kreeg bij de toepassing van de D.K.O. de zelfstandigheid van de gemeenten binnen het kerkverband steeds de volle aandacht. De synodale besluiten met een bindend karakter waren zeer gering in aantal. In de meeste gevallen beperkte een generale synode zich tot besluiten met een adviserend karakter. Hierin weerspiegelt zich de hantering van het gereformeerde kerkrecht, zoals dat in de jaren voor en na de Doleantie (1886) op basis van de Dordtse Kerkorde was ontwikkeld door A. Kuyper, A.F. de Savornin Lohman en met name ook door F.L. Rutgers. In dit kerkrecht stonden drie uitgangspunten centraal: De sterke nadruk op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk (art. 84 D.K.O.) De kerkenraad is de enige kerkelijke vergadering die beschikt over de macht, die Christus door mensendienst in Zijn kerk wil laten functioneren. Dit wordt nadrukkelijk onderstreept door het overleggen van de lastbrieven door de afgevaardigden van een kerkenraad aan de meerdere vergadering (art. 33 D.K.O). Het gezag van de meerdere vergadering onderscheidt zich van het gezag van de kerkenraad. De meerdere vergadering beschikt slechts over een beperkte, afgeleide, 'lagere' macht. De besluiten die door deze kerkenraden zijn genomen, zijn voor alle kerken bindend, maar onder het voorbehoud dat in de kerkorde is verwoord (art. 31 D.K.O.). Het confederatieve karakter van het kerkverband. Het samengaan en samenleven van de plaatselijke kerken in een kerkverband geschiedt op basis van vrijwilligheid en kent geen centraal bestuur. Het is een eis van de Schrift zelf dat de plaatselijke kerken met elkaar in een verband moeten treden om de eenheid van de kerk van Christus tot meerdere openbaring te brengen. Het independentisme wordt dan ook afgewezen. De vrijwilligheid betekent immers geen vrijblijvendheid, maar veronderstelt steeds de bereidheid om de besluiten van de meerdere vergadering ook te honoreren in de plaatselijke gemeente.

De belijdenis als akkoord van kerkelijke gemeenschap. De eenheid van de kerken bestaat allereerst in de gemeenschappelijke belijdenis. Dat werd reeds uitgesproken door de Synode van Emden van 1571. Die belijdenis heeft men immers aanvaard als uitdrukking van de enigheid des geloofs en daarmede van de onderlinge verbondenheid en eenheid der kerken. Ze is tot stand gekomen in de weg van de geloofsgehoorzaamheid aan de Schrift en vormt de basis of het fundament van het kerkverband. Bij de praktische toepassing van dit gereformeerde kerkrecht, dat berustte op de bepalingen van de Dordtse Kerkorde, maakte men in de gemeenten algemeen gebruik van de eerste druk van de bekende Korte Verklaring van de Kerkenordening, geschreven door ds. Joh. Jansen, gereformeerde predikant te IJmuiden. De eerste druk verscheen in 1922. Het persoonlijke exemplaar van ds. G.H. Kersten kwam mij onder ogen met de nodige onderstrepingen in rood en de kanttekening 'fout' bij artikel 79, dat door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland toen al enigszins gewijzigd was. Men had namelijk de mogelijkheid tot schorsing van ouderlingen en diakenen ingevoerd, die het oorspronkelijke artikel niet kent. De Gereformeerde Gemeenten wilden zich nadrukkelijk houden aan de ongewijzigde D.K.O. Het feit dat de Gereformeerde Kerken in later jaren nog enkele wijzigingen aanbrachten, verklaart de uitgesproken voorkeur binnen de Gereformeerde Gemeenten van voor de Tweede Wereldoorlog voor de éérste druk van 'Jansen'.

3. Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

In 1936 verscheen de vijfde druk van de tekstuitgave van de Dordtse Kerkorde, die ook dit keer door ds. G.H. Kersten werd verzorgd. Het jaar daarop publiceerde de predikant in opdracht van de Generale Synode een nieuwe en op grond van bronnenonderzoek enigszins aangevulde uitgave van het bekende 'Kerkelijk Handboekje', dat een verzameling biedt van oude gereformeerde kerkorden uit het Nederlandse taalgebied. Het een en ander is tekenend voor het geheel gewijzigde klimaat binnen de Gereformeerde Gemeenten ten aanzien van de hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht.

Een afwijkende lijn

In de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog werd echter een afwijkende lijn zichtbaar. Toen liet zich de invloed gelden van het zogenaamde 'nieuwe kerkrecht', dat afkomstig was uit de Gereformeerde Kerken in Nederland. Daar was de predikant M. Bouwman in 1937 gepromoveerd aan de VU. op het proefschrift over Voetius over het gezag der synoden. In deze door velen bejubelde en door andere scherp bekritiseerde dissertatie gaf Bouwman aan, dat F.L. Rutgers Voetius op tenminste vijftien punten verkeerd zou hebben verstaan. Bouwman plaatste een is-gelijk-teken tussen de kerkenraad en de meerdere vergadering. Er zou geen principieel verschil bestaan tussen kerkenraad en synode. De synode zou dezelfde vol­ ledige tucht-, leer- en regeermacht hebben als de kerkenraad. Dat betekende dat een synode rechtstreeks zou mogen ingrijpen in een plaatselijke gemeente als daar sprake zou zijn van wanbestuur en een algeheel bederf van de plaatselijke gemeente. Rutgers daarentegen had altijd gesteld dat de afzetting van ambtsdragers moet geschieden door de in de kerkorde genoemde en daartoe bevoegd verklaarde organen. Aan een synode komt alleen het oordeel, de vormgeving en de leiding bij de uitvoering van de synodale uitspraak toe. De afzetting van ambtsdragers zelf geschiedt door een dubbele kerkenraad of de classis, bijgestaan door deputaten van de meerdere vergadering.

De visie van Bouwman, die onder fundamentele kritiek werd gesteld door de Zierikzeese predikant J. van Lonkhuyzen en de Kamper hoogleraar S. Greijdanus, zou de geschiedenis ingaan als het 'nieuwe kerkrecht'. Het werd radicaal toegepast in 1944 ten aanzien van de hoogleraren K. Schilder en S. Greijdanus en de met hen sympathiserende ambtsdragers en gemeenten. De Vrijmaking van 1944 was ook een hevig kerkrechtelijk conflict, dat vaak het conflict over de leer naar de achtergrond drong.

De invloed van het 'nieuwe kerkrecht' is duidelijk afleesbaar bij de gang van zaken in onze gemeenten in het conflict rond dr. Steenblok in 1953. De Generale Synode van dat jaar maakte gebruik van de zeer vergaande zelfstandige bevoegdheden, die M. Bouwman voorstond. Na de zo trieste scheuring publiceerde De Saambinder een artikelenreeks, waarin deze kerkrechtelijke benadering werd verdedigd. De daarin gegeven motivering sloot naadloos aan bij de opvattingen van M. Bouwman. Dat laat zich ook wel begrijpen, omdat de visie van Bouwman toen door velen nog als wetenschappelijk juist werd beschouwd. Door de toepassing van dit 'nieuwe kerkrecht' is echter aan de bezwaarden die in 1953 de Gereformeerde Gemeenten verlieten om een eigen kerkverband te vormen - de Gereformeerde Gemeenten in Nederland - lang niet altijd recht gedaan.

Beperkte bevoegdheden

In de periode na 1953 heeft met name ds. K. de Gier (1915-1999), docent kerkrecht aan de Theologische School te Rotterdam, benadrukt dat de meerdere vergaderingen in de D.K.O. beperkte bevoegdheden hebben, omdat er sprake is van een afgeleide macht. Meerdere vergaderingen kunnen immers binnen de structuur van de D.K.O. alleen tucht oefenen, omdat de zaken zelf door de kerkenraad van een gemeente op de agenda zijn geplaatst en de bevoegdheid tot tuchtoefening door de gemeente aan de meerdere vergadering is overgedragen. De door ds. De Gier aangegeven lijn werd in de tweede helft van de twintigste eeuw algemeen gevolgd. Deze benadering baseert zich in tegenstelling tot de visie van Bouwman op de letterlijke tekst van de D.K.O. en is verwant aan de daaraan door Rutgers gegeven uitleg.

Wel kunnen er uiterst moeilijke probleemsituaties zijn, waarin de D.K.O. niet voorziet. Een voorbeeld daarvan is het zogenaamde wanbestuur in een plaatselijke gemeente. Dergelijke problemen werden in Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden - waarin men de samenwerking van kerk en overheid voorstond - met behulp van de macht van de overheid tot het gewenste einde gebracht. Dat zou in ons huidige staatsbestel een ondenkbare en ook ongewenste benadering zijn. Dit betekent wel, dat in bijzondere probleemsituaties aan de meerdere vergadering een taak kan toekomen, die vroeger door de overheid werd vervuld.

Voortgaande bezinning

In de jaren negentig vond binnen de Gereformeerde Gemeenten ook een voortgaande bezinning op deze problematiek plaats, toen ontwikkelingen in de wereldlijke rechtspraak een verdere doordenking en uitwerking van de kerkelijke rechtspraak noodzakelijk maakten. Dit resulteerde in het boek In orde (1999), dat ook in andere kerken van de gereformeerde gezindte met instemming werd ontvangen. Deze 'Handleiding en toelichting bij de kerkelijke rechtspraak' kent een geel gedeelte, dat een verbindend karakter heeft en een groen of adviserend gedeelte. In het adviserende deel werd bewust gekozen voor een middenweg tussen het 'oude' en het 'nieuwe kerkrecht'. Daarbij is een meerdere vergadering slechts onder zeer nadrukkelijke voorwaarden tot handelen bevoegd in kwesties die tot de competentie van een mindere vergadering behoren. Juist vanwege het gevaar van machtsmisbruik door de meerdere vergadering is een zeer terughoudende opstelling vereist. Het belang van een voortdurende kerkrechtelijke bezinning werd mede onder invloed de sterk gewijzigde tijdsomstandigheden door de kerken steeds meer noodzakelijk geacht. Dit resulteerde in 1996 in de instelling door de Generale Synode van de Commissie Kerkrecht, die door de Generale Synode van 2001 werd omgevormd tot een Deputaatschap Kerkrecht.

4. Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

De Gereformeerde Gemeenten zijn na 1907 bij de tekst van de toen aanvaarde editie van de D.K.O gebleven. De algemene overtuiging is dat met wijzigen in de D. K.O. als basisstructuur van het kerkelijke leven de grootst mogelijke voorzichtigheid moet worden betracht. De nummering van de artikelen is dan ook gelijk aan die van de oorspronkelijke D.K.O.

Een nieuwe uitgave van de D.K.O.

Sinds de jaren dertig is geen tekstuitgave van de Dordtse Kerkorde meer verschenen. De Generale Synode van 2001 nam het besluit om te komen tot een gecorrigeerde en geautoriseerde heruitgave van de uitgave van 1907. Het Deputaatschap Kerkrecht ontving van de synode de opdracht om een dergelijke handzame uitgave, die bijvoorbeeld op catechisaties kan worden uitgedeeld, in concept gereed te maken. Het Deputaatschap baseert zich daarbij op de oorspronkelijke tekst van de kerkorde, zoals die direct na de Synode van Dordrecht 1618-1619 werd gepubliceerd. De officiële vaststelling van de tekst van de nieuwe uitgave is uiteraard een taak van de Generale Synode die in 2004 zal bijeenkomen.

Wel besloot de Generale Synode van 2001 reeds dat bij artikel 70 van de D.K.O., dat betrekking heeft op het huwelijk, een voetnoot zal worden aangebracht. Het begrip huwelijk was in 1619 niet voor meer dan één uitleg vatbaar, maar wordt in onze ontkerstende samenleving op onbijbelse wijze in meer dan één zin uitgelegd. In de aantekening bij artikel 70 geeft de synode aan 'het huwelijk te beschouwen als een voor de burgerlijke overheid op Bijbelse gronden gesloten huwelijksverbintenis tussen één man en één vrouw, naar de zin van de instelling voor het leven aangegaan'.

Voornaamste besluiten: uitvoeringsbepalingen en jurisprudentie

In de Gereformeerde Gemeenten was het ds. G.H. Kersten, die als eerste zich inzette voor het verzamelen en uitgeven van door de generale synode vastgestelde bepalingen, die dienden om uitvoering te geven aan de artikelen van de kerkorde. Hij voegde daar uitspraken aan toe over bepaalde concrete vraagstukken, die later licht kunnen werpen op situaties die zich nieuw aandienen (jurisprudentie). Het geheel publiceerde hij voor het eerst in 1937 onder de titel Voornaamste besluiten. In 1948 verscheen een tweede, gewijzigde druk.

Het uitgeven van een dergelijk steeds opnieuw bijgewerkt besluitenboekje in opdracht van de synode kwam uiteraard met een zekere regelmaat terug. De uitgave won aan betekenis naarmate de Acta van de synode in omvang toenamen. Dat was vooral het geval sinds de jaren zestig, toen de voortgaande ontkerstening de noodzaak met zich meebracht om op allerlei terreinen deputaatschappen in te stellen om beter gestalte te kunnen geven aan de verantwoordelijkheid, die we in bijbels licht voor elkaar en voor de naaste dichtbij en veraf hebben. Tekenend voor deze ontwikkeling was bijvoorbeeld de instelling van het deputaatschap Algemene Diaconale Zaken (A.D.Z.). Daarmee won de besluitvorming van de Generale Synode sterk aan omvang en betekenis. In 1965 werd de publicatie van de Voor­naamste Besluiten verzorgd door ds. L. Rijksen en ds. K. de Gier. In 1983 droegen ds. K. de Gier en ouderling H. de Deugd voor een nieuwe uitgave zorg. In 2001 verscheen een herziene uitgave met een nieuwe indeling, die de voornaamste besluiten weergaf tot en met de Generale Synode van 1998 en verzorgd werd door de Sectie kerkelijke Administratie van het Deputaatschap Algemene Kerkelijke Zaken. Hoewel in de verschillende edities van dit boekje de uitvoeringsbepalingen of de algemene regelgeving van de synoden zondermeer overheersen, komen er af en toe uitspraken in voor over een bepaald concreet geval (casus). Het onderscheid tussen de ene en de andere categorie besluiten is niet aangegeven en moet door de lezer zelf worden vastgesteld. Dat geldt overigens ook voor de besluitenlijsten, die sinds 1992 de toegankelijkheid van de omvangrijke acta aanzienlijk hebben verbeterd.

5. Hantering en waardering van kerkorde en kerkrecht

Ter sprake kwam reeds, dat men in de Gereformeerde Gemeenten jaren achtereen voor de noodzakelijke kerkrechtelijke oriëntatie het boek van Joh. Jansen 'Korte Verklaring van de Kerkenordening' ( 1923) gebruikte. Latere edities (1937, 1952) waren afgestemd op wijzingen, die door de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland in de kerkorde waren aangebracht. Daarom bestond er onder ons een uitgesproken voorkeur voor de eerste druk van dit werk, omdat deze uitgave zich het meest aansloot bij de oorspronkelijke tekst van de D.K.O.

Commentaren

In deze situatie kwam pas in de tweede helft van de twintigste eeuw verandering. Toen verscheen er een tweetal commentaren uit eigen kring, die een uitleg van de kerkorde bieden artikel voor artikel. Het betreft: : - K. de Gier, Toelichting op de Dordtse Kerkorde in vraag en antwoord (eerste druk 1968, derde druk 1983). Het boek biedt een eenvoudige handleiding voor kerkenraadsleden en belangstellende leden van de gemeente. De auteur vroeg van zijn studenten, dat zij het boekje grotendeels van buiten zouden kennen. Dit 'groene boekje' vond een brede ingang in de kring van de gemeenten en heeft de plaats die het boek van Jansen vroeger in de gemeenten had volledig ingenomen.

- K. de Gier, De Dordtse kerkorde. Een praktische verklaring. Het boek biedt een vrij breed commentaar op elk artikel van de D.K.O. De auteur steunt daarbij met name op de oudere commentaren van prof. dr. F.L. Rutgers, prof dr. H. Bouwman en ds. Joh. Jansen. Het boek van ds. De Gier bevat een waardevolle, systematisch opgebouwde literatuurlijst, die in bijna alle andere commentaren ontbreekt.

- Een eigen karakter heeft een recente studie, die geredigeerd werd door de Commissie Kerkrecht van de Generale Synode (ds. G.J. van Aalst, ds. M. Golverdingen, ds. R Mulder, oud. G.D. Pas en oud. G. Roos), In orde. Handleiding en toelichting bij de kerkelijke rechtspraak (1999). In deze studie zijn alle aanwijzingen uit commentaren op het gereformeerde kerkrecht op systematische wijze samengebracht, die bijdragen aan een zorgvuldige procedure bij uitoefening van de christelijke tucht. In veel gevallen zijn deze procedurele eisen ook van toepassing op het handelen van de meerdere vergaderingen bij appelprocedures. In de Handleiding - het geel gemarkeerde deel van het boek - worden de uitgangspunten geformuleerd die door de Generale Synode bindend zijn verklaard voor het handelen van de kerkelijke vergaderingen in de genoemde gevallen. In de Toelichting - het groen gemarkeerde deel van het boek - worden bij wijze van advies aanwijzingen gegeven voor alle artikelen van de D. K. O. die vragen om zorgvuldigheid in de procedure.

Wie naast deze literatuur en de genoemde oudere commentaren nog een hedendaags commentaar wil raadplegen, kan terecht bij een Zuidafrikaanse auteur die jaren achtereen hoogleraar was in het kerkrecht aan Hammanskraalse Theologieskool van die Gereformeerde Kerke in Suid-Afrika: - B. Spoelstra, Gereformeerde Kerkreg en Kerkregering. Handboek by die kerkorde (1989). Men moet zich bij het lezen van dit handboek wel realiseren dat de schrijver uitgaat van een eigen Zuidafrikaanse versie van de D.K.O., die op een enkel onderdeel afwijkingen kent van de tekst die in de Gereformeerde Gemeenten wordt gebruikt.

Regelingen en modellen

Voor kerkelijk gebruik in concrete situaties heeft men door de eeuwen heen de nodige regelingen en modellen opgesteld, zoals attestaties, beroepsbrieven, een ondertekeningsformulier voor ambtsdragers, lastbrieven voor de classis, de particuliere synode en de generale synode. Vele van deze formulieren gaan terug op een ontwerp van de kerkrechtgeleerde F.L. Rutgers, terwijl het ondertekeningsformulier teruggaat op een tekst die door de Dordtse Synode (1618-1619) werd vastgesteld. Het boekje Voornaamste besluiten biedt in een bijlage een overzicht van de formulieren die bij het Kerkelijk Bureau van de Gereformeerde Gemeenten, Houttuinlaan 7, 3447 GM Woerden (tel. 0348 489900) te verkrijgen zijn.

Acta en rapporten

De Acta van de generale synodes (1907-2001) en de door deze synodes al of niet gewijzigd aanvaarde rapporten van deputaatschappen en commissies vormen een belangrijke bron voor de kennis van het kerkrecht. Ze bieden immers de tekst van kerkelijke besluiten, die uitdrukkelijk of naar hun aard een verbindend karakter hebben. Tegelijkertijd wordt inzicht gegeven in de vraagstellingen en argumenten die de achtergrond vormden van de besluitvorming.

Kerkelijke adviezen

Docenten kerkrecht en predikanten die zich in kerkrecht hebben gespecialiseerd geven vaak adviezen aan kerkelijke vergaderingen en gemeenteleden in concrete situaties en kwesties. Een deel van deze adviezen heeft blijvende waarde en verdient algemene toegankelijkheid. Het klassieke voorbeeld wordt gevormd door de twee bundels Kerkelijke Adviezen (1921-1922) van de hand van F.L. Rutgers. Ds. G.H. Kersten publiceerde in De Saambinder in de loop der jaren een aantal adviezen op verschillend terrein. Een deel daarvan droeg een kerkrechtelijk karakter en werd gedeeltelijk gebundeld in ds. G.H. Kersten, In het voetspoor der vaderen, Utrecht, 1985. Het zal de lezers van ons blad niet zijn ontgaan dat er met een zekere regelmaat ook praktische vragen aan de orde komen, die beantwoord worden door leden van het Deputaatschap Kerkrecht. Advisering maakt altijd een wezenlijk onderdeel van de beoefening van het kerkrecht uit. Uiteraard zijn niet alle vragen van kerkenraden of ambtsdragersconferenties daarvoor geschikt. Sommige vragen hebben een te specifieke achtergrond. De vragen moeten wel het algemene inzicht dienen.

Het gaat bij het vormen van een kerkrechtelijk oordeel altijd om vier kernpunten: het onderwijs uit het Woord van God; het gebed om de verlichting van het verstand om door de leiding van de Heilige Geest de bijbelse criteria te mogen verstaan (2 Tim. 2:7); het verstaan van de belijdenis van de kerk; het in het licht daarvan toepassen van de kerkrechtelijke regel op een praktische manier, die het welzijn van een kerkelijke vergadering, een gemeente of een gemeentelid dient.